Nieuwsgierigheid en zichtbaarheid

auteur: Bram Buijze, Secretaris Internationaal Cultuurbeleid, Raad voor Cultuur
in reactie op: De strategische experts

Ik beperk me in deze reactie tot twee onderwerpen uit het verslag van het eerste discussiediner over Cultuur en Ontwikkeling en Internationaal Cultuurbeleid: nieuwsgierigheidsbeleid en zichtbaarheid.

Nieuwsgierigheidsbeleid

Het is tijd voor nieuwsgierigheidsbeleid: met deze aanbeveling, gedaan tijdens het eerste discussiediner over Cultuur en Ontwikkeling en Internationaal Cultuurbeleid is wat mij betreft een van de belangrijkste opgaven geformuleerd waarvoor het internationaal cultuurbeleid staat: de wens om meer te weten over de ander en het andere moet uitgangspunt zijn voor internationale culturele samenwerking En het beleid moet erop gericht zijn die houding te stimuleren, te faciliteren, en te belonen.

Belangstelling voor de ander/het andere komt vaak wel voor op de lijstjes met uitgangspunten die door de jaren heen zijn opgesteld om het internationaal cultuurbeleid te legitimeren en die tot dusver uiteindelijk meer bepalend zijn geweest voor inhoud en vormgeving van dat beleid: internationale vergelijking met vakgenoten, marktverruiming voor NL kunstenaars, en versterking van het imago van Nederland. Maar meer dan ooit pleit een aantal ontwikkelingen voor versteviging van de positie van het nieuwsgierigheidsbeleid op die lijst:

Steeds meer landen in de wereld ervaren dat de eigen samenleving gekenmerkt wordt door een rijke schakering van culturen vanuit alle hoeken van de wereld. Nederlanders zijn in hun culturele wortels al lang niet meer alleen herleidbaar tot het Europese continent. Vrijwillige en onvrijwillige mobiliteit heeft ertoe geleid dat culturen die vroeger afgebakend leken tot een bepaald geografisch gebied, zich nu overal ter wereld manifesteren. De snelle ontwikkelingen op het gebied van digitalisering bevorderen het ontstaan van nieuwe netwerken, waarin de grenzen tussen hier en elders vervagen. Aan het cultuurbeleid de taak zich van deze ontwikkelingen rekenschap te geven en er adequaat op te reageren.

Terwijl de culturele diversiteit zich enerzijds ontwikkelt tot een steeds fijmaziger netwerk van culturele uitingen, lijkt ze anderzijds onder druk komen te staan doordat de economische macht steeds meer geconcentreerd raakt bij enkele grote multinationale conglomeraten. De Raad voor Cultuur constateert in zijn maart jl. uitgebrachte advies ‘Agenda Cultuurbeleid’, dat de voortschrijdende mondialisering er enerzijds toe heeft geleid dat burgers over de hele wereld in principe toegang hebben tot een grotere variatie aan keuzes, maar dat anderzijds de volledigheid van keuzemogelijkheden beperkt dreigt te worden door liberalisering van het dienstenverkeer; bijv. in het kader van de General Agreement on Trade and Services (GATS), waarin economische macht min of meer bepalend is voor wie wel en niet toegang hebben tot de wereldmarkt. De Raad houdt daarom een pleidooi voor een actieve opstelling van de Nederlandse regering in de internationale discussie over culturele diversiteit, en vraagt om een snelle implementatie van de Convention on the protection and promotion of diversiy of cultural content and artistic expressions van de Unesco.

Onderkenning van diversiteit veronderstelt nieuwsgierigheid. Nieuwsgierigheid naar wat anders is op lokaal, regionaal en internationaal niveau. Nieuwsgierigheid naar de directe buren en naar die op een ander continent. Die niveaus zijn steeds meer met elkaar verbonden. Er ontstaan transnationale culturele gemeenschappen. Dit fenomeen daagt beleidsmakers uit op een andere manier naar de relatie tussen de nationale en internationale dimensie van het cultuurbeleid te kijken. Volgens de Raad is er een toegenomen inzicht in het belang van cultuur voor het functioneren van de samenleving. Politici en beleidsmakers beginnen in te zien dat cultuurbeleid meer is dan een op zich zelf staand kunsten- of erfgoedbeleid. Culturele participatie, uitwisseling en interactiviteit krijgen een steeds belangrijker plaats naast het traditionele model van de hoogverheven kunstenaar tegenover een groot publiek dat van zijn werk kennis moet nemen. De aandacht voor ‘cultureel burgerschap’ is daar een uitdrukking van.

De erkenning dat kunst en cultuur een onmiskenbare betekenis hebben voor de ontwikkeling en bloei van een samenleving, moet ook zichtbaar worden in de plaats die de overheid ervoor inruimt. De symbolische waarde van de functie van een minister voor Cultuur is groot. Dat die er nu voor het eerst sinds lange tijd weer is, betekent hopelijk meer dan een tijdelijke upgrade. Op enkele ambassades is in de afgelopen jaren meer gewicht toegekend aan de cultuurportefeuille, maar er valt op dat punt nog veel te doen. De Raad heeft daarvoor al bij meerdere gelegenheden aandacht gevraagd.

Zichtbaarheid

De wijze waarop de laatste jaren een aantal door het Prins Claus Fonds ondersteunde producties hun weg hebben gevonden naar gevestigde instellingen en festivals, draagt bij aan het verkleinen van de afstand tussen dat wat er regulier wordt gepresenteerd en culturele uitingen uit landen die traditioneel worden gesitueerd in het cultuur en ontwikkelingsbeleid. Aan de Malinese operaproductie Bintou Were en Ivaldo Bertazzo’s productie Samwaad is, door ze in te kaderen in prestigieuze festivals (respectievelijk Holland Festival en Holland Dance Festival), meer zichtbaarheid gegeven dan wanneer ze in een specifiek Afrika- of Brazilië-festival gepresenteerd zouden zijn.

Deze voorbeelden verdienen navolging. Het is belangrijk om hier dingen te laten zien die elders zijn gemaakt: ze verbreden de kijk op de wereld en ze kunnen ertoe bijdragen dat we zelf ook een beter begrip krijgen van de ontwikkeling van onze eigen samenleving. Internationaal cultuurbeleid moet zich daarom niet beperken tot het uitgaand verkeer maar evenzeer, en misschien meer dan dat, er voor zorgen dat de diversiteit van culturele expressie zichtbaar wordt dicht bij huis. Daarvoor, zo schreef de Raad in zijn eerder aangehaald advies, is het hoog tijd om onze culturele vrijhaven, die inmiddels meer op een extra verstevigde vesting binnen het Fort Europa is gaan lijken, flink uit te graven. Culturele instellingen kunnen het concept nieuw leven inblazen door een visie te ontwikkelen op hun eigen vrijhavenrol, daarbij gesteund door een overheid die initiatieven op dit vlak honoreert.

Bram Buijze
Secretaris Internationaal Cultuurbeleid
Raad voor Cultuur

Den Haag, 30-08-2007